Spring naar inhoud

5 – Geloof en Calvinisme

Geen ijs op zondag of naar het zwembad. Omdat dit een rustdag is en als je de economie op deze dag z’n werk laat doen, dan help je er aan mee dat anderen moeten werken.

De mooiste palindroom: “Dogma I am God”.

Kerk en geloof, een mismatch. En zeg niet dat ik het niet geprobeerd heb. Actief in de jeugd met club en kerkdienst. Evangelisatiewerk op camping Oranjezon te Vrouwenpolder. Geëngageerd in mijn studententijd, redacteur van een boek over jongeren en geloof, voorzitter van de samen-op-weg beleidsraad van het Amsterdams Studentenpastoraat, voorzitter van het Landelijk Overleg Studentengemeenten en Nederland vertegenwoordigend in de World Student Christian Federation.

Ook mijn ouders hebben de reis die secularisatie heet en die langs het verzet tegen kruisraketten voert en de vorming van de EVP heeft aangedaan, bewust en met winst en verlies doorlopen.

Alles loopt vast op verwachtingen die je niet waar kunt maken, gemotiveerd met waarheden die onherkenbaar zijn in de bron van waaruit wordt geciteerd.

Pas toen ik kinderen kreeg, keerde met een zekere mildheid terug dat de christelijke waarden en normen die ik van huis uit meegekregen had, mij de veiligheid gaven van vrede, verzoening en troost.

Oh zo graag wil ik selectief putten uit de kinderverhalen over David en Goliath, Jozef in Egypte, de ark van Noach, de brandende braamstruik en de wake op de Olijfberg. Jesus Christ Superstar kan ik uit m’n hoofd meezingen.

Thuis hadden we de NCRV-gids en lazen we Trouw.

Ik hoor mijzelf zeggen dat ik mij aan mijn familie –de wapenspreuk van Zeeland indachtig- ontworsteld heb. Anders dan mijn ouders –althans mijn vader- heb ik de kerk verlaten. Bagage die belemmert en mij verder brengt.

4 – Woordenboek en werkelijkheid

foto: Rogier klaase

Ik kan echt kwaad worden als iemand communicatie voorstelt als een model met een boodschap, een zender en een ontvanger. Ik vind dat zo’n misplaatste simplificatie van wat communiceren is: in contact staan, verbinden, delen.

Dezelfde mensen beweren vaak ook dat de betekenis van een woord in het woordenboek staat. Dat is de omgekeerde wereld. Betekenissen ontstaan, ontwikkelen en wijzigen in het spraakgebruik. In een woordenboek wordt een momentopname opgetekend.

Voorbeeld? Je ouders vonden iets ‘mieters’ of ‘hip’, jij vindt het ‘te gek’ en jouw kinderen noemen het ‘cool’ of ‘vet’. Daarom verschijnen er ook steeds nieuwe en geheel herziene drukken van De Dikke Van Dale.

Mooi om te zien hoe hele generaties hun identiteit ontwikkelen door overeenkomsten en verschillen met een voorgaande generatie te benadrukken in kleding, muziekkeuze en taalgebruik. Taal is cultuur.

De kracht van poëzie om woorden in hun betekenis te laten botsen binnen de hermeneutiek van het gedicht. Het geloof in toverspreuken. Jargon-ontwikkeling als instrument bij transitiemanagement.

Waarom is je lievelingsboek zo mooi? Is dat de plot, de tijd of het milieu waarin het verhaal speelt, de ontwikkeling of catharsis van de hoofdpersoon… Of de stijl en woordkeuze waarin het geschreven is? Waarschijnlijk ook dat laatste!

Als iemand een woord gebruikt dat je niet kent… Zoek je het op of vraag je wat hij daarmee bedoelt?

Mijn ervaring in Europese projecten met deelnemers uit diverse lidstaten: iedereen verstond elkaars Engels, behalve de Engelsen.

Soms heb je aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen. En met voldoende ‘intalk’ kun je anderen eenvoudig buitensluiten.

3 – Het discours van Foucault

Michel Foucault gaat nog een stap verder: ik, wie dat ook is, is geen subject van de taal, maar object. Met andere woorden: ik ben niet de afzender van wat ik zeg, maar wat ‘ik’ zeg(t), maakt mij tot wie ik ben. Bij Foucault is de identiteit ondergeschikt aan het discours. Heel mooi verwoordt hij dat in zijn inaugurele rede aan het College de France, als hij –in parafrase- zegt: ‘Liever dan hier te staan en deze rede uit te spreken, zou ik opgenomen willen zijn in alles wat hier wordt gezegd en daaruit te voorschijn komen als wie ik ben’.

Foucault is een filosoof.

Het discours is een begrip dat ook door anderen gebruikt wordt. Meestal het eenvoudigst te begrijpen als een geheel aan (min of meer samenhangende) teksten die samen een (omvattend) verhaal vertellen. Feit is dat het discours niet onderworpen is aan een auteur.

Het discours is soms wel te koppelen aan een tijdsperiode. Of aan een vakgebied. Of een sociaal-culturele context. Aan politiek. Zo beschouwd is een discours al snel een betekenis verlenende omgeving voor wat ‘waarheid’ is.

En waarheid is subjectief.

Voorbeeld: geschiedenisboeken worden herschreven met de kennis van nu!

Op allerlei niveaus vindt voortdurend strijd plaats om het discours een richting op te sturen, om zich ‘de waarheid’ toe te eigenen. Macht over het woord. Ook op persoonlijk vlak: bepaal jij wie ik ben of bepaal ik dat? Hoezo ‘meerderheid van stemmen’? Er is er maar een die het kan weten en dat ben ik! Toch?

Nee, dus. De context is groter dan het verhaal en het collectief is sterker dan het individu. Taal is een levend iets, kennis en waarheid zijn niet alleen in eigen woorden te vatten. Wiens brood men eet, diens taal men spreekt.

2 – Het spiegelstadium

dav

Voor de spiegel staan, je spiegelbeeld herkennen als de persoon over wie je ouders (en anderen) het de hele tijd hebben als het over jou gaat… Jacques Lacan noemt het: intrede in de talige werkelijkheid, de orde van de taal. Alsof je een rol accepteert in een toneelstuk over jou waarin jijzelf de hoofdrol speelt.

De consequenties zijn verstrekkend, de keuze is –normaalgesproken- onontkoombaar.

“Dat ben ik” omarmt een persoonlijkheid die verantwoordelijkheid draagt voor wat hij doet en wat hij zegt, een persoonlijkheid die daarop aangesproken kan worden door zijn medemens. Een vat aan waarden en normen wordt als gevolg van deze keuze over je heen gekieperd. Of het nu ‘de tien geboden’ zijn of een moreel besef van goed en kwaad, de geschiedenis of ‘lotsbestemming’ van ‘jouw’ volk… Ik-zeggen betekent onderdeel worden van een bestaande en zich verder vertellende geschiedenis.

Dat het verhaal zich verder vertelt, is fijn. Het biedt je de kans om er invloed op uit te oefenen. Als je je weet los te worstelen van het gekrakeel en een bijdrage levert die gehoord wordt, geef je richting aan jouw levensverhaal. Dat kan ook controversieel zijn. Of middels een shockerende handeling… Maar wel altijd met het risico van excommunicatie. Want als je de ‘regels’ van de groep negeert, negeert ten slotte de groep jou.

Maar wat nu als de mensen het ‘fout’ zien of je domweg verkeerd begrijpen? Je kan moeilijk “sorry” zeggen voor iets wat je niet gedaan hebt, toch?! Dat lijkt geldig voor de korte termijn, maar daarna zal je op z’n minst toch begrip moeten hebben voor hun interpretatie van jouw gedrag. De groep waar je deel van uitmaakt is even vruchtbaar als verstikkend voor je persoonlijke groei. Ruimte daarvoor verkrijg je alleen maar als je welwillendheid en meewerkend gedrag van je medemens geniet.

Wanneer het beeld dat je van jezelf hebt en het beeld dat anderen van je hebben onvoldoende overeenkomt, is er sprake van een vorm van neurose, aldus de psychologische wetenschap.

1 – ‘Je’ zeggen terwijl het over jezelf gaat

Voetballers zijn er goed in, Bergkamp was de beste. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit een keer ‘ik’ heb horen zeggen. Niet als hij kritiek kreeg, niet als hem lof werd toegezwaaid. Het was altijd: ‘je’.

Mijn scriptie aan de universiteit ging er over: “Identiteit en subjectiviteit in taalgebruik”. Ik analyseerde het radioprogramma ‘Dubbelicious’ waarin jongeren bevraagd werden over jongerenproblematiek. Naast Peter Holland, de scherpzinnige interviewer, zat een ‘bliksemafleider’ die met humor interventies pleegde wanneer het gesprek te serieus werd. De jongeren werden aangesproken op hun persoonlijke deskundigheid vanuit hun eigen ervaringen.

Telkens wanneer het onderwerp voor ‘de ervaringsdeskundige’ te dichtbij komt, wordt het ik‑gebruik ingeruild voor je-gebruik. In een uitzending over depressiviteit wordt de vraag gesteld: “Kun je niet tegen jezelf zeggen, ik geef er niet aan toe?” Het antwoord luidt: “Dat is natuurlijk het fijnste wat er is, als je dat kan, maar ja, dat kan je juist niet!” En de vervolgvraag: “Vechten jullie voldoende tegen die buien?” Met als antwoord: “Eerst vecht je daar heel erg tegen, dan denk je van het heeft geen zin want het helpt niets..”

‘Je’ zeggen terwijl het over jezelf gaat, is een beschermingsconstructie waarmee mensen gezichtsverlies proberen te voorkomen. Stel dat er een meerderheid of autoriteit is die oordeelt dat jij met jouw uitspraak ongelijk hebt, dan helpt je-gebruik om je te verschuilen achter een algemene uitspraak die je probeerde te doen en was het –bij nader inzien- ook niet jouw persoonlijke mening.

Ik ken het omgekeerde uit assertiviteitstrainingen: als je gehoord wilt worden, maak dan expliciet wat gedrag of uitspraken van anderen voor jou persoonlijk betekenen. Maak gebruik van een drieledige ik-boodschap (Parent Effectiveness Training van Thomas Gordon). Zeg wat iemands gedrag bij jou teweeg brengt en welk gevoel je daarbij hebt, en doe een suggestie hoe hij of zij dat kan aanpassen opdat jij er minder of geen last meer van hebt.

Betekenisvolle inzichten

Twaalf blogs in twaalf weken: inleiding, inzicht 1 t/m 10, nawoord.

04/11/2019

Taal als kernwaarde

Ik heb -of ben aangeraakt door- een aantal leidende principes in mijn leven, stuk voor stuk betekenisverlenende inzichten. Ik breng ze hier samen en het zegt iets over mij, misschien wel over wie ik ben. Ik ben wandelcoach en heb mijn praktijk in het Noord-Hollands duinlandschap bij Haarlem. Dagelijks loop ik met mensen op zoek naar veiligheid en zekerheid, plezier en respect, uitdaging en verlangen, op zoek naar een stevig in het hier-en-nu verankerd vertrekpunt voor de eerstvolgende periode.

Begin 2014 ben ik begonnen om dit op schrift te stellen, maar bij gebrek aan een professioneel lezer, werd ik afgeleid door de poëzie. Maar taal, zo concludeerde ik recentelijk opnieuw, is voor mij een kernwaarde.

Lees en laat je inspireren door de herkenning of door de verrassing, door de samenhang tussen de onderdelen of juist door specifiek een onderdeel ervan. Anders dan voor mij, voor wie de volgorde min of meer een chronologie weerspiegelt, zit deze volgorde er voor jou als lezer niet per se in.

Verwacht overigens geen wetenschappelijk onderbouwd proza, maar zie het als een kennismaking. Wil je meer weten, ga dan zelf op zoek naar de onderliggende teksten en doe daar je voordeel mee.

Doe mij svp wel het plezier, nadat je deze gedachten geconsumeerd hebt, om een reactie te geven via de mail: marten@trans-3.nl. Dat stel ik op prijs en, wie weet, ontmoeten wij elkaar ergens in de nabije toekomst.


Marten Janse

Surfplank

Hij lag er nog. In de loods, met stof van een jaar of tien. En met zeil en touwen die gemaakt zijn om af en toe een of twee seizoenen te worden vergeten.  We droegen hem met gepaste verwondering het zonlicht in.

De Spiegelplas aan de Vecht is een hemel voor watersporters en duikers. Ooit door de Amsterdam Ballast Maatschappij tot 45 meter diepte uitgegraven voor zandwinning. Half Amsterdam is op dit zand gebouwd. En toen voor één gulden verkocht aan Natuurmonumenten voor beheer en onderhoud.

Nederlands sportman van het jaar in 1984 was windsurfer Stephan van de Berg, dat jaar Olympisch kampioen in Los Angeles. Samen met zijn broers runde hij een surfshop in Hoorn. En wat een hype werd die sport! Overal kon je windsurfen en, desnoods met een karretje achter je fiets, kon je overal komen waar gesurft werd.

Stephan van de Berg heeft een opvolger gekregen in de persoon van Dorian van Rijsselberghe die in 2012 en 2016 Olympisch kampioen werd, maar de planken werden korter, lichter en hooveren binnenkort met nog hogere snelheden op hun vin. Windfoilen heet dat straks.

Er was veel belangstelling voor de plank in het zonlicht en in het water. Generaties geboren tussen ’60 en ’70 watertandden bij de aanblik van de moedige pogingen van mijn dochter en haar vriendje. Want hoe vertaal je de techniek van het zeilen naar een wankel evenwicht tussen zeil en lijf? Hoe lees je de golven en de warrelende wind?

De beste stuurlui stonden aan wal. Maar oh, wat een feest, toen wij –ouderen- mee gingen doen! En het ging nog! Stram en angstig, soms, maar vol van herinneringen aan die mooie momenten. Toen ik in de herfst, in surfpak, mij kwaad maakte op de wind en haar mijn wil oplegde. Het water ronkte en de surfplank zong.

Mijn generatie deed mee en probeerde het –met succes- ook nog een keer. Mijn dochter vertelde over haar vriendinnen die net als zij, als klein kind, ooit achterop die surfplank hadden meegesurft. Met dank aan Stephan van de Berg.

video surfplank revisited